Marian van der Wal was een van de eerste vrouwelijke politieagenten, en dat in een gereformeerd dorp. De groepscommandant wilde haar geen hand geven: ‘Ik moet geen wijven’. Ze zette er de boel op stelten, en werkte via de vakbond aan landelijke wervingscampagnes voor vrouwen en allochtonen. Nu maakt ze zich als wethouder in datzelfde dorp zorgen over jongeren. “Ik vind het zorgelijk dat ze aan een baan beginnen waar ze in no-time afbranden.”
Door: Onno van Buuren
Waarom koos je voor de politieschool?
“Ik was een drop-out van school. Mijn vader wilde toen dat ik een beroepsopleiding ging doen. De politie trok me wel, maar ik realiseerde me niet dat er nog nauwelijks vrouwen werkten. Toevallig kwam ik in de eerste grote opleiding met vrouwen; dat was in 1976. Het was net een gehaktmolen, vreselijk. Ik heb het maar net volgehouden. Het was een militaristisch systeem; ik probeerde dus steeds dingen te verzinnen om niet helemaal aan het lijntje te lopen. Dat resulteerde in straffen, maar ook in gesprekken met docenten, die me toch steunden met uitspraken dat de politie niet alleen zit te wachten op ja-knikkers.”
Zo begon je als een van de eerste vrouwelijke politieagenten. Hoe beviel dat?
“Ik kwam in een klein korps in Aalburg terecht, een gereformeerde gemeente in het rivierengebied, in de zogeheten Biblebelt. De groepscommandant wilde me geen hand geven; hij zei ‘Ik moet geen wijven’. Hij vond het geen beroep voor vrouwen. Weggaan of me koest houden wilde ik niet, dus koos ik ervoor er tegenin te gaan. Het conflict liep soms zo hoog op, dat ik het district belde om erover te praten.
“Gelukkig kreeg ik ook aandacht en publiciteit, want het was wel iets bijzonders. Het was zwaar, maar ik kijk er ook met plezier op terug. Ik moest echt op eigen benen staan en me zien te redden. Ik heb er zo’n acht jaar gewerkt, maar ook veel opleidingen gevolgd. Ik heb er ook van geprofiteerd dat ik een van de weinige meiden was. Omdat de observatieteams meer vrouwen wilden, mocht ik daar al na twee jaar solliciteren; mannen konden dat pas na vier jaar.
“Door die ervaringen ben ik al heel vroeg actief geworden met medezeggenschap en vakbondswerk. En ik zat in de werkgroep gelijke kansen, want sommige regels waren heel bizar. We mochten bijvoorbeeld geen pistool op onze kleding dragen; dat moest in een schoudertas. We hadden vooral keurige kleding, waar je bijna niet in kon werken; we hadden niet eens een winterjas, daar hadden ze niet aan gedacht! We zijn toen met negen vrouwen naar het magazijn gereden om mannenkleding te halen.
“Op een gegeven moment mochten we als vrouwen geen nachtdiensten meer draaien, want er waren vrouwen van mannelijke collega’s die dat toch wel heel gevaarlijk vonden … Er waren allerlei bizarre richtlijnen, zoals dat vrouwen overgeplaatst zouden worden als ze een relatie kregen met een mannelijke collega; over mannen werd niets gezegd. En vrouwen mochten geen opleiding tot hondenbegeleider volgen, omdat de honden nerveus zouden worden als de vrouw ongesteld was!”
Werd er ook gedacht dat vrouwen niet opgewassen zouden zijn tegen geweld?
“Ja, een agent zei er tegenop te zien met mij in een vechtpartij terecht te komen. Ok, vrouwen zijn gemiddeld minder sterk, maar we leren dezelfde technieken, reageren sneller en wekken meestal minder agressie op. Toch bleef dat argument maar terugkomen. Toen hebben we aangetoond dat het maar om een fractie van het politiewerk gaat, terwijl vrouwen op andere punten juist beter functioneren. Dat heft elkaar ongeveer op. Bovendien, er zijn ook mannelijke agenten die prima functioneren, maar niet bepaald Jerommekes zijn.”
Werd je als vrouw ook minder serieus genomen?
“Nee, nooit meegemaakt. Wel dat mensen bij mij geen aangifte wilden doen, maar dan vroeg ik m’n collega’s om die klus niet over te nemen. Mensen van mijn leeftijd die ik er nu over spreek zeggen dat ze ‘die vrouwtjes’ wel even wilden uitproberen.”
Heb je je werk als agente lang volgehouden?
“Ik heb tot 1985 in de straatdienst gewerkt. Ik was al parttime hoofdbestuurder bij de Nederlandse politiebond, en ben dat toen fulltime gaan doen, met twee jaar emancipatiewerk. Toen kon ik echt invloed uitoefenen op die gekke regeltjes. Daarna deed ik werving en selectie voor de rijkspolitie. Ik probeerde om meer vrouwen te werven, en later ook allochtonen. Het was een heel leuke periode, waarin ik veel in de media kwam en naar het buitenland ging. Je kunt dat alleen maar doen als het je passie is. Inmiddels zijn er veel vrouwen bij de politie gekomen, maar nog steeds is de norm van 25 procent niet bereikt. In Scandinavische landen is ruim de helft vrouw.”
Toch heb je nog een wending aan je loopbaan gegeven. Waarom?
“Na een jaar of vijf besloot ik een deeltijd HBO-opleiding personeelswerk te gaan doen, en ben daarna beleidsmedewerker bij het Korps Landelijke Politiediensten geworden. Regelmatig werkte ik voor interimprojecten door het hele land. Dat vergde veel reistijd, terwijl ik kleine kinderen had. Daarom heb ik in de buurt gesolliciteerd, en ben aangenomen bij Schouten & Nelissen in Zaltbommel, voor werving en selectie van de eigen organisatie. Een groot contrast met de politie: van een mannenbolwerk waar alles tot drie cijfers achter de komma was geregeld, naar een creatieve organisatie van overwegend vrouwen. Uiteindelijk ben ik hoofd P&O geworden.”
En nu ben je beroepspolitica…
“Ik was al langer actief in de PvdA. Vijf jaar geleden ben ik gekozen in de gemeenteraad in de overwegend gereformeerde gemeente Aalburg in het Land van Heusden en Altena. Tot mijn verbazing ben ik na de verkiezingen in 2006 benoemd tot wethouder. Toen moest ik een keuze maken waar ik nooit rekening mee had gehouden. Ik zat dan ook heel onbevangen in de debatten over de collegevorming.
“Ik heb een leuk pakket dat heel dicht bij me ligt: sociale zaken, welzijn, onderwijs en sport. Hoewel het wethouderschap parttime is, heb ik toch ontslag genomen bij Schouten & Nelissen. Ik heb er namelijk last van als ik twee bazen heb. Ik ga me schuldig voelen als ik nee moet zeggen om voor de andere baas iets te doen.”
Hoe vul je dat gat?
“Met freelance opdrachten. Overigens kost die 60% baan als wethouder veel meer tijd dan 24 uur. Je moet veel vergaderen, lezen en met allerlei mensen en organisaties praten. Als ik geen klus voor mezelf heb, mag de gemeente over me beschikken. Qua inkomen ben ik er wel behoorlijk op achteruit gegaan, want het inkomen als wethouder is afgeleid van het inwonertal. Maar dat komt wel weer goed. Al is het wel iets dat je even met je gezin moet bespreken.”
Wat loop je tegenaan in het personeelsbeleid?
“In een kleine gemeente is het moeilijk om jong personeel vast te houden, want de salarissen zijn ook lager. Jongeren zien het werk puur als opstap voor hun verdere carrière. Vooral hbo’ers zijn snel weg, want ze kunnen hier niet snel doorgroeien. Bovendien kunnen ze nu makkelijk een andere baan vinden.”
Dat is toch een algemene trend?
“Ja, bedrijven krijgen ook last van de krappere arbeidsmarkt. Als bedrijf moet je nu zorgen dat je je potentieel voor de toekomst binnenhaalt. De leeftijdsopbouw is behoorlijk scheef. Er gaan veel mensen tegelijk uit. Bedrijven moeten zorgen dat ze aantrekkelijk worden voor jongeren; niet door hoge salarissen en lease-auto’s, maar door goede scholingsmogelijkheden, zowel voor hun carrière als de persoonlijke ontwikkeling. En je moet zorgen voor goede begeleiding, inwerkprogramma’s, goede afspraken en eerlijkheid over de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een bedrijf dat goede programma’s heeft om jonge hbo’ers binnen te halen, wordt steeds interessanter, want ze vertellen dat aan elkaar door.”
Ligt de hoge uitval onder jonge hbo’ers ook niet een beetje aan gemakzucht?
“Ze moeten realistischer naar hun werk kijken, en zichzelf goed kennen. Daar ligt een taak voor de hbo-instellingen, want die lichten de studenten nauwelijks voor hoe het bedrijfsleven er uitziet. Ik vind het zorgelijk dat jongeren zo aan een baan beginnen waar ze in no-time afbranden. Het wordt ook een vicieuze cirkel, want ze vertrekken zonder hun mond open te doen, en lopen bij een volgend bedrijf tegen dezelfde muren op. Zo gaat dat door tot ze een burn-out krijgen.”