Femke Halsema over haar loopbaan
‘Politiek verveelt niet, maar je brandt op’
door Onno van Buuren
Van ongemotiveerde scholier tot gedreven politica. Femke Halsema (40) zit sinds 1998 voor GroenLinks in de Tweede Kamer (sinds eind 2002 als fractievoorzitter). Hoe ervaart zij haar loopbaan in de politiek? “Waar je af en toe chagrijnig van wordt, is dit beeld van de politiek dat je staat te bekvechten en een zakkenvuller zou zijn.”
(NB: Zie ook het interview over haar politieke ideeën m.b.t. de arbeidsmarkt.)
Wist u als kind al wat u later wilde worden?
“Ik was een slechte, ongemotiveerde havo-leerling, en was veel afwezig. Daarna wilde ik naar de toneelschool, maar werd afgewezen wegens gebrek aan talent. Als alternatief had ik de circusschool bedacht, maar dat vonden m’n ouders niet goed. Dat ik de rest van m’n leven drie ballen in de lucht zou houden zagen ze niet zitten. Daar heb ik me niet tegen verzet. Toen mocht ik kiezen tussen au pair worden of een jaar naar de vrije hogeschool. Dat laatste heb ik gedaan. Verder hebben m’n ouders zich niet met mijn beroepskeuze bemoeid.
“Toen ik na dat jaar nog niet wist wat ik wilde, ben ik maar naar de lerarenopleiding gegaan voor de twee vakken waar ik het best in was: Nederlands en geschiedenis. Dat heb ik officieel drie jaar gedaan, maar na het eerste jaar ben ik er niet veel geweest. Daarna ging ik allerlei baantjes doen: een jaar fulltime in de kroeg, maar ook cultureel medewerker op de lerarenopleiding. Een typisch geval van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Op een bepaald moment besloot ik toch weer te gaan studeren: eerst sociologie, wat ik na een jaar heb overgezet naar algemene sociale wetenschappen, met criminologie en rechtssociologie als afstudeerspecialisaties.”
Vanwaar criminologie?
“Criminoloog Frank Bovenkerk deed studies van de multi-etnische samenleving. Hij stapte na een ruzie met zijn nieuwe hoogleraar Entzinger over naar criminologie. Toen ben ik uit loyaliteit met hem meegegaan. Uiteindelijk heb ik dat een heel goede keuze gevonden, en ben nog anderhalf jaar zijn studentassisent geweest.”
Na uw studie koos u voor een baan als stafmedewerker van de Wiarda Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Was u toen een aanhanger van de PvdA?
“Nee. Ik was wel politiek geïnteresseerd. Mijn moeder was wethouder voor de PvdA in Enschede, en voorzitter van het Centrum voor Lokaal Bestuur, een onderafdeling van de Wiardi Beckman Stichting. Zodoende kende ik die stichting, en was geabonneerd op haar blad Socialisme en Democratie. Maar de eerste keer dat ik mocht stemmen, stemde ik op Andree van Es van de PSP (één van de voorlopers van GroenLinks – OvB). Werken op het breukvlak van politiek en wetenschap vond ik wel heel interessant, dus heb bij de Wiardi Beckman Stichting gesolliciteerd en werd tot mijn verrassing aangenomen. Ik heb daar vijf jaar met veel overtuiging gewerkt, en er een boek en een bundel geschreven.
“Ik had het er naar m’n zin, maar naarmate ik meer kennis kreeg van politiek vervreemdde ik van de Partij van de Arbeid. Het waren de Paarse jaren, na de WAO-crisis. In de PvdA heerste een bestuurlijke mentaliteit waarin ik me niet kon vinden, en inhoudelijk vond ik ze te conservatief, zowel op sociaal als groen terrein. Ik had vooral moeite met hun opvattingen ten aanzien van asiel en vreemdelingen. Ik zat in de voorbereidingsgroep van het verkiezingsprogramma voor 1998, en raakte erg ongelukkig vanwege de opvattingen die daar geventileerd werden.
“Toen heb ik een sprong in het diepe gewaagd: ik heb m’n ontslag ingediend en mijn lidmaatschap opgezegd. Ik leed een ongelooflijk inkomensverlies, van 3000 naar 1200 gulden netto, want ik werkte daarnaast anderhalve dag bij De Balie als programmamaker. De Balie heeft m’n baan toen gelukkig uitgebreid. Na een paar maanden werd ik daar benaderd door Paul Rosenmöller van GroenLinks, die toen fractievoorzitter was. Dat kwam door mijn collega Kees Vendrik. Wij zijn in 1998 samen voor GroenLinks de Kamer ingegaan. Inmiddels ben ik een routinier.”
Dat is dus al acht jaar. Gaat de politiek niet vervelen?
“Nee, parlementariër zijn is niet iets dat verveelt. Soms gaat het tegenstaan. Het is meer iets waar je aan opbrandt.”
Het beeld komt over dat politici altijd zitten te bekvechten.
“Dat lijkt misschien zo doordat de tv de felste fragmenten van debatten uitzendt. Maar dat is een persiflage. Ik sta hier ook in de Kamer mijn eigen wetsvoorstellen te verdedigen, waar jaren studie in zit. Je geeft uitvoering aan je politieke idealen. Daarvoor voer je een politiek gevecht met de Kamer. Maar je zit niet de hele dag te ‘bekvechten’, allesbehalve dat.”
Is de Haagse politiek niet vies en vunzig, zoals Pechtold zei?
“Soms. Bij tijd en wijle ben je diep gekwetst. Je wordt ook unfair beoordeeld, op je uiterlijk en op hoe je praat. Je ligt permanent onder een vergrootglas. Het is een heel hard bestaan, maar ik vind dat we ook trots mogen zijn op ons politieke bestel. Ik ben volksvertegenwoordiger, en dat voel ik ook zo: ik vertegenwoordig mijn volk. Dat doe ik met grote overtuiging. Waar je af en toe chagrijnig van wordt, is dit beeld van de politiek dat je staat te bekvechten en een zakkenvuller zou zijn. Daar kan ik me kwaad over maken.”
U kreeg een opmerkelijk compliment van Ayaan Hirsi Ali bij haar plotselinge vertrek uit de Tweede Kamer.
“Ja, dat heeft me diep geroerd. Dat was een blijk van waardering, waarbij ze recht in de camera keek. Ondanks dat we altijd verschil van mening hebben, zijn we altijd bevriend geweest. Ik ben heel verdrietig over wat er met haar is gebeurd. Ik ben in tijden niet zo boos geweest. Ik vind het wreed om iemand die zo bedreigd is, haar paspoort af te nemen, terwijl dat je allerbelangrijkste rechtsbescherming is. Onbestaanbaar. Als je dan ziet hoeveel steun er toch onder de bevolking was voor Verdonk, word ik heel somber over Nederland.”
Heeft u nog wel tijd voor een privéleven?
“Ik ben er toch in geslaagd twee kinderen te krijgen, een tweeling van 2,5 jaar. Ik sta natuurlijk altijd onder druk. Ik werk 60 tot 70 uur per week, en zorg daarnaast met mijn partner voor de kinderen. Ik probeer af en toe vrienden te zien. Het is een heel zwaar bestaan. Je moet in de politiek ook passant blijven. Ik ben in 2007 weer beschikbaar als lijsttrekker, dus ik doe het waarschijnlijk nog vier jaar. Dan heb ik dertien jaar in de Kamer gezeten, maar dan is het ook op en klaar. Dan ga ik iets heel anders doen.”
Heeft u daar al ideeën over?
“Geen flauw benul. Ik heb de afgelopen jaren zo hard gewerkt; ik hoef het ook niet te weten. Ik heb geen overheersende behoefte hierna nog eens carrière te maken. Ik hoef me niet te bewijzen of hoge functies te bekleden, allesbehalve dat. Ik zie het wel. Ik moet natuurlijk een inkomen hebben. Misschien ga ik een tijdje in het buitenland werken. Of niet werken, dat mijn vriend tijdelijk kostwinner wordt. Ik wil graag een boek gaan schrijven, en misschien promoveren of een restaurantje of bloemenwinkeltje starten.
“Voor mij is één ding duidelijk: als ik stop met politiek, stop ik met het politiek-bestuurlijke circuit. Dat is dan helemaal over en uit. Maatschappelijke of liefdadigheids-organisaties kan ik me nog voorstellen, maar ik vraag me af of ik nog zou kunnen functioneren in hiërarchische organisaties. Ik ken een grote mate van vrijheid. Ik denk niet dat ik een ideale kandidaat ben voor het bedrijfsleven, maar daar ligt ook niet echt mijn hart. Overigens ben ik niet bepaald bang voor mijn toekomst. Ik denk dat zich genoeg aan zal dienen. Natuurlijk verlies je niet je maatschappelijk engagement, dus ik zal me wel blijven bemoeien met allerlei publieke en politieke discussies, maar op grote afstand.”
En een tv-programma presenteren, zoals Paul Rosenmöller?
“Nee, want ik wil graag mijn anonimiteit terugvinden. Je moet natuurlijk nooit nooit zeggen, maar zo denk ik er nu over. Als ik uit de publiek sfeer verdwijn, verdwijn ik daar ook uit. Heerlijk! Ik vind het heel zwaar dat iedereen je kent. Mensen op straat zijn meestal erg vriendelijk, maar ik heb ook bedreigingen en beveiliging gehad.”
Links:
GroenLinks
Interview met Femke Halsema over haar politieke ideeën m.b.t. de arbeidsmarkt
Onno van Buuren, juni 2006